Het westnijlvirus heeft in 2026 voor het eerst meerdere dodelijke slachtoffers gemaakt in Nederland. Om toekomstige uitbraken sneller te kunnen signaleren, hebben wetenschappers een nieuwe testmethode ontwikkeld. Voor het eerst worden daarbij ook levende vogels onderzocht, in plaats van alleen dode exemplaren.
Een van de vogels die wordt getest, is het kauwtje. Die gewone, alledaagse vogel speelt mogelijk een sleutelrol in het vroegtijdig opsporen van het virus.
Wat speelt er?
- Het westnijlvirus maakte in 2026 voor het eerst meerdere dodelijke slachtoffers in Nederland.
- Wetenschappers hebben een nieuwe methode ontwikkeld om het virus te monitoren.
- Eerder werden uitsluitend dode vogels onderzocht op het virus.
- Nu worden voor het eerst ook levende vogels getest, waaronder kauwtjes.
- Het doel is om nieuwe uitbraken in 2027 eerder te ontdekken en sneller in te kunnen grijpen.
Waarom juist het kauwtje?
Kauwtjes komen veel voor in Nederland en leven dicht bij mensen. Daardoor zijn ze een geschikte graadmeter voor de verspreiding van het westnijlvirus. Als het virus circuleert in een gebied, is de kans groot dat kauwtjes dat als een van de eerste vogelsoorten laten zien.
Door levende exemplaren te testen, krijgen onderzoekers een actueler beeld van hoe het virus zich verspreidt. Bij dode vogels is dat moment al voorbij.

Verschil met de oude methode
Tot nu toe richtte het onderzoek naar het westnijlvirus zich vooral op dode vogels. Die aanpak heeft een belangrijk nadeel: de vogel is al gestorven voordat wetenschappers iets kunnen doen met de informatie.
Met levende vogels kunnen onderzoekers eerder in het seizoen zien of het virus al aanwezig is. Dat geeft meer tijd om te waarschuwen en maatregelen te treffen.
Wat is het westnijlvirus?
Het westnijlvirus wordt overgedragen door muggen. Vogels spelen een grote rol in de verspreiding, omdat besmette muggen het virus van vogel op vogel, en soms op mensen, kunnen overbrengen.
De meeste mensen die besmet raken, merken er weinig van. Maar bij een deel van de patiënten leidt het virus tot ernstige klachten, zoals hersenvliesontsteking. In zeldzame gevallen is een besmetting dodelijk, zoals dit jaar in Nederland bleek.
Nederland steeds vaker getroffen
Het westnijlvirus was lange tijd vooral een probleem in Zuid- en Oost-Europa. Door opwarming van de aarde en mildere zomers duikt het virus de laatste jaren steeds vaker op in noordelijker gelegen landen, waaronder Nederland.
De dodelijke slachtoffers in 2026 laten zien dat het virus inmiddels ook hier een reële bedreiging vormt voor de volksgezondheid.
Hoe nu verder?
Met de nieuwe testmethode hopen wetenschappers volgend jaar beter voorbereid te zijn. Door vroeg in het muggenseiÂzoen al te monitoren of het virus aanwezig is bij levende vogels, kan eerder alarm worden geslagen.
Of de aanpak ook daadwerkelijk leidt tot snellere detectie, moet de komende tijd blijken. Onderzoekers zijn optimistisch dat deze stap een belangrijk verschil kan maken in de strijd tegen het westnijlvirus.
