Roofkunst is een bekend begrip uit de Tweede Wereldoorlog: nazi’s die kunstobjecten stalen van Joodse families. Maar er bestaat ook een andere, minder bekende categorie: overlevingskunst. Kunst die Joodse eigenaren zelf verkochten, omdat ze het geld nodig hadden om te vluchten of onder te duiken.
Na de oorlog werd dit “vrijwillige verkoop” genoemd. Maar hoe vrijwillig was dat eigenlijk, als je levensbedreigende omstandigheden in aanmerking neemt? Die vraag staat centraal in een nieuw boek van hoogleraar Diederik Oostdijk, dat de verhalen achter vijf kunstwerken reconstrueert.
Een van die werken is het 17e-eeuwse schilderij De Vaandeldrager van Barend Graat. Het doek ligt al tientallen jaren opgeslagen in het Rijksdepot in Amersfoort en was ooit in bezit van de Joodse familie Schülein.
Wat is overlevingskunst?
Oostdijk, hoogleraar Engelse en Amerikaanse literatuur aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, gebruikt de term overlevingskunst bewust. Enerzijds omdat de verkoop van kunst letterlijk overleving mogelijk maakte. Anderzijds om een ander aspect te benadrukken.
“De manier waarop de families de Holocaust hebben overleefd, is eigenlijk ook een soort kunststukje”, zegt hij. “Het zegt veel over de manier waarop zij daadkracht toonden. Dat ze het heft in eigen hand namen en wisten te ontsnappen.”
De meeste Joodse families hadden geen schilderijen om te verkopen. Maar een kleine groep had die mogelijkheid wel, en maakte er gebruik van in uiterste nood.
Het schilderij dat Hitler’s collectie in belandde
Het was op initiatief van Hansje Schülein dat De Vaandeldrager in 1941 werd verkocht voor 24.000 gulden. De koper was Hans Posse, de kunsthistoricus die namens Adolf Hitler kunst aankocht voor een gepland Führermuseum in de Oostenrijkse stad Linz.
Oostdijk vermoedt dat de familie Schülein niet wist aan wie hun schilderij uiteindelijk terechtkwam. Via een tussenhandelaar werd het werk onderdeel van Hitlers Linz-collectie, waar het nummer 2060 kreeg.
Aan het einde van de oorlog troffen Amerikaanse soldaten veel van dit soort werken aan. In Nederland moesten eigenaren vervolgens aangeven of hun kunst vrijwillig was verkocht of gestolen. Hansje Schülein gaf op dat zij het schilderij vrijwillig had verkocht. “Maar dat is de vraag”, zegt Oostdijk. “Het is niet eens helemaal duidelijk of zij zelf het formulier heeft ingevuld.”

Kleinzoon zag het schilderij voor het eerst
Jan-Willem Elte is de kleinzoon van bankier en kunstverzamelaar Julius Schülein. Hij bekeek De Vaandeldrager onlangs voor de allereerste keer. “We hebben er nooit van geweten”, zegt hij. “Ik hoop dat het snel ergens heengaat waar mensen het kunnen zien.”
Elte is er stellig van overtuigd dat de verkoop destijds noodzakelijk was. Zijn vader, op dat moment verloofd met zijn moeder, dreigde als Jood opgepakt te worden. “Als het onderduiken niet gelukt was, waren wij er niet geweest.”
Samen met zijn broer heeft hij een verzoek ingediend om het schilderij terug te krijgen. “De erkenning zou prettig zijn. Dat Joodse families noodgrepen moesten uithalen om te ontkomen. Dat was natuurlijk niet vrijwillig. Daar zit een zekere dwang achter.”
Wat speelt er rondom de restitutie?
- De Restitutiecommissie beoordeelt verzoeken over teruggevonden kunstobjecten uit de Tweede Wereldoorlog.
- Zaken over overlevingskunst komen zelden voor. Vaker gaat het om gestolen kunst.
- De commissie onderzoekt of een verkoop vrijwillig of onvrijwillig was, op basis van de omstandigheden.
- Het NIOD doet historisch onderzoek naar de herkomst van het object en het familieverhaal.
- De zaak rond De Vaandeldrager wordt momenteel nog onderzocht.
Hoe beoordeelt de commissie “vrijwillig”?
Voorzitter Toon van Mierlo van de Restitutiecommissie kan inhoudelijk niets zeggen over de lopende zaak. Wel legt hij uit hoe de commissie te werk gaat. “Was de verkoop destijds nodig om de onderduik te bekostigen of om eten te kopen? Elke zaak is anders, maar er moet een direct verband zijn met het nazi-regime.”
Als dat verband er is, kan de conclusie zijn dat de verkoop onvrijwillig was. Van Mierlo beschrijft wat een positief oordeel betekent voor families: “Als wij adviseren dat een werk terug moet, dan zijn mensen zielsgelukkig. Ze zeggen: nu hebben we een stukje van onze geschiedenis terug.”
“Gefileerd tot in detail”, omschrijft hij het onderzoeksproces. Niets wordt aan toeval overgelaten.
Meer dan een schilderij: een familieverhaal
Oostdijk hoopt dat De Vaandeldrager terugkeert naar de familie en vervolgens een plek krijgt in een museum. Niet alleen vanwege de kunsthistorische waarde, maar vanwege wat het schilderij vertegenwoordigt.
“Met dit kunstvoorwerp krijgt de familie ook hun familieverhaal terug”, zegt hij. “Het draagt zo’n mooie, diepe geschiedenis met zich mee.”
Het boek van Oostdijk over overlevingskunst is nu verkrijgbaar. Wanneer de Restitutiecommissie een uitspraak doet over De Vaandeldrager, is nog niet bekend.
