Nieuw Amerikaans onderzoek brengt een oud vermoeden over de eerste Egyptische koningen nieuw leven in. Onderzoekers vonden aanwijzingen dat leden van de hofhouding mogelijk werden gedood om met hun koning begraven te worden. Dit speelde zich af rond 3000 voor Christus.
De bevindingen sluiten aan bij wat de Britse egyptoloog Flinders Petrie al rond 1920 vermoedde. Hij ontdekte op de begraafplaats Umm el-Qa’ab bij Abydos, niet ver van Luxor, tientallen tot honderden bijgraven rondom de tombes van de vroegste Egyptische heersers. Maar hij kon toen geen hard bewijs vinden dat deze mensen doelbewust waren gedood.
Nu, meer dan een eeuw later, brengt nieuw onderzoek meer duidelijkheid. Met moderne technieken zijn schedels onderzocht die mogelijk sporen van geweld bevatten.
Fatale schedelbreuken als nieuw bewijs
Roselyn Campbell van de Purdue University in Indiana onderzocht 46 skeletten met geavanceerde methodes. In achttien schedels vond ze breuken die mogelijk fataal waren geweest. In één geval was er zelfs ingehakt op een oogkas.
Campbell keek naar skeletten uit graven rondom drie verschillende heersers: koning Djer, koning Djet en koningin Merneith. In totaal gaat het om honderden graven.
Opvallend is haar conclusie over het gebruikte wapen. De verwondingen passen niet bij een strijdknots, zoals die veelvuldig te zien is op oud-Egyptische kunstwerken. Campbell denkt eerder aan platte, brede voorwerpen van hout of een gewei.
Wat speelt er precies?
- Op begraafplaats Umm el-Qa’ab bij Abydos liggen honderden mensen begraven in de buurt van vroege Egyptische koningen.
- Het gaat om hofdames, ambtenaren en ambachtslieden, mensen uit de directe omgeving van de heerser.
- Egyptoloog Petrie vermoedde al in 1920 dat zij als offer werden gedood, maar kon dit niet bewijzen.
- Nieuw onderzoek vindt in 18 van de 46 onderzochte schedels mogelijk fatale breuken.
- Onderzoekers zijn er nog niet volledig zeker van dat alle aangetroffen personen zijn geofferd.

Petrie zag het wel, maar onderkende het mogelijk niet
Campbell gelooft dat Petrie de schedelbreuken destijds wel heeft opgemerkt, maar ze niet als doodsoorzaak heeft herkend. Hij dacht vermoedelijk dat de breuken na het overlijden waren ontstaan, bijvoorbeeld door het gewicht van de aarde bovenop de graven.
Wat Petrie wél opviel, was dat zo veel mensen min of meer tegelijkertijd met de koning stierven en dicht bij hem werden begraven. Maar omdat het exacte moment van overlijden niet te bepalen was, sloot hij niet uit dat zij gewoon in de loop der jaren waren gestorven en vanwege hun dienstbaarheid aan de koning nabij hem werden begraven.
Niet iedereen werd geofferd
Ook Campbell houdt een slag om de arm. “Voor de schedels zonder letsel kunnen we niet met zekerheid stellen of er sprake was van offeren”, zegt ze. “Het is heel goed mogelijk dat een deel van de hofhouding wel is geofferd en een deel niet.”
Ze benadrukt dat het aantal onderzochte schedels te beperkt is om een volledig beeld te krijgen van de grafrituelen in die periode. Eerder onderzoek wees er al op dat sommigen mogelijk vrijwillig kozen voor de dood om hun koning te vergezellen naar het hiernamaals.
Waarom namen koningen bedienden mee?
Historici noemen meerdere verklaringen voor het meebegraven van hofleden. De belangrijkste is religieus van aard. De oude Egyptenaren geloofden dat de ziel voortleefde na de dood en dat een koning ook in het hiernamaals bedienden nodig had om hem te dienen.
Daarnaast speelde de bevestiging van macht een rol. Dat honderden mensen bereid waren of gedwongen werden te sterven voor hun heerser, onderstreepte zijn goddelijke status en absolute gezag.
Beeldjes als vervangers
Na de Eerste Dynastie van Egypte, die liep van circa 3150 tot 2853 voor Christus, nam het aantal bijgraven snel af. Mensen werden vervangen door kleine beeldjes die werden meegegeven in het graf.
Ook kwamen afbeeldingen van dienaren op de wanden van graven steeds meer in zwang. De symbolische aanwezigheid van bedienden nam zo de plaats in van de fysieke.
Wat betekent dit voor verder onderzoek?
Het onderzoek van Campbell geeft nieuwe impulsen aan een al lang lopend debat in de egyptologie. De bevindingen zijn veelbelovend, maar onderzoekers benadrukken dat er meer skeletten en meer geavanceerde technieken nodig zijn om harde conclusies te trekken.
De vraag of het hier gaat om systematische offers of incidentele gevallen van geweld blijft daarmee vooralsnog onbeantwoord. Vervolgonderzoek op de begraafplaats bij Abydos moet meer duidelijkheid brengen.
